Op 11 juli 2016 kwamen Europese lidstaten, onder het voorzitterschap van Nederland, overeen om belastingontwijking door grote bedrijven aan te pakken door een nieuwe richtlijn te introduceren, de anti-belastingontwijkingrichtlijn (ATAD1). Deze richtlijn is een belangrijk kans om er voor te zorgen dat bedrijven eerlijk belasting betalen en niet langer gebruik kunnen maken van fiscale constructies die leiden tot dubbele non-heffing. Dit is in het belang van EU-landen en ook voor ontwikkelingslanden die momenteel 100 miljard dollar mislopen door belastingontwijking.

De bal ligt nu bij lidstaten om de richtlijn te implementeren voor 1 januari 2019. De richtlijn biedt enkele keuzemogelijkheden aan lidstaten en in Nederland dreigt nu onder druk van belastingadviseurs en grote bedrijven gekozen te worden voor schadelijke bepalingen, die belastingontwijking in stand houden. Hierdoor dreigt de richtlijn volledig zijn doel te missen. Het is essentieel dat een nieuw kabinet het voornemen om belastingontwijking aan te pakken niet terugdraait vanwege dreigementen vanuit belastingadviseurs en grote bedrijven. Vandaar dat Tax Justice Nederland een nieuw kabinet en de financiële woordvoerders in de Tweede Kamer oproept om de volgende punten in acht te nemen:

1. Het Nederlandse kabinet moet andere Europese landen volgen door ook model A omtrent de CFC regels te implementeren. CFC-regels zorgen ervoor dat bedrijven bepaalde winsten niet in belastingparadijzen kunnen parkeren. De regels treden in werking als bij dochterbedrijven in het buitenland te weinig belasting wordt geheven. In dat geval gaat het moederland er belasting bij heffen. Een zwakkere variant, model B, werkt echter alleen tegen het verschuiven van winsten uit het moederland, niet tegen het verschuiven van winsten uit andere landen.

Andere landen in Europa, waaronder Duitsland, Italië, Spanje en Frankrijk hebben al CFC-regels geïmplementeerd volgens model A. Wanneer enkele lidstaten voor model A kiezen en andere voor model B is er een verhoogde kans op dubbele belasting die niet met een eenvoudige verrekening in het moederland is te ondervangen. Vandaar dat één implementatiemethode in alle EU lidstaten te prefereren valt. Bovendien, als Nederland voor model B zou kiezen, loopt Nederland Europees gezien uit de pas wat de reputatie van Nederland ernstig kan schaden.

2. Het Nederlandse kabinet moet de oproep van Nederlandse burgers om belastingontwijking aan te pakken serieus nemen en niet zwichten voor dreigementen van belastingadviseurs.
Onder de Nederlandse bevolking is er groot maatschappelijk draagvlak voor een effectieve aanpak van belastingontwijking. Uit een recente Eurobarometer blijkt namelijk dat 95% van de ondervraagden in Nederland voorstander is van strengere regels tegen belastingontwijking. De Nederlandse overheid heeft hier gehoor aangegeven door tijdens de onderhandelingen over de anti-belastingontwijkingsrichtlijn zich als Europese voorzitter in te zetten voor een akkoord. Ook de Tweede Kamer heeft zich in het verleden hard gemaakt voor een effectieve aanpak tegen belastingontwijking. Zo roept de Kamer in motie Groot van 16 november 2016 de Nederlandse overheid op om te kiezen voor een model A aangezien model B nauwelijks een toegevoegde waarde heeft op de huidige wetgeving.

Uit de recente online consultatie blijkt echter dat belastingadviseurs en grote bedrijven een nieuw kabinet aansporen om bestaande regels zoveel mogelijk te handhaven door een zwakker model voor CFC-regels (model B) te introduceren. Het is essentieel dat een nieuw kabinet het voornemen om belastingontwijking aan te pakken niet terugdraait onder druk van belastingadviseurs en grote bedrijven. Dat zou niet alleen ondemocratisch zijn maar ook een duidelijk signaal dat het kabinet zwicht voor de bangmakerij van belastingadviseurs.

3. Het Nederlandse kabinet moet de geopolitieke context waarin landen elkaar beconcurreren en de belastingopbrengsten vanuit de VPB afnemen centraal stellen bij de implementatie van ATAD1.
Wereldwijd is er een trend gaande waarin landen elkaar beconcurreren om de meest gunstige
fiscale voordelen voor bedrijven. Belastingtarieven voor het bedrijfsleven dalen daardoor wereldwijd. In OESO-landen daalde het belastingtarief tussen 1982 en 2007 gemiddeld met 22 procent. Tussen 2001 en 2013 betaalden Nederlandse werknemers meer dan bedrijven: het aandeel loon- en inkomstenbelastingen aan de totale belastingopbrengst steeg van 23 naar 32 procent. Terwijl voor het aandeel van de vennootschapsbelasting het omgekeerde geldt: dat daalde van 16 procent naar 9 . Terwijl de belastingopbrengsten van de VPB dalen, neemt de winsten van bedrijven in Nederland toe. Hierdoor ontstaat er niet alleen ongelijke verdeling van de lasten tussen het bedrijfsleven en burgers, maar ook een ongelijk speelveld tussen grote multinationale bedrijven en kleine ondernemers.

Bij de implementatie van de anti-belastingontwijkingsrichtlijn zou het Nederlandse kabinet deze schadelijke gevolgen van de bovenstaande trend in de beoordeling van de keuzes omtrent de renteaftrek beperking mee moeten nemen. Zo willen belastingadviseurs graag een hoog percentage waarbij de rente aftrekbaar is én een groepsuitzondering. Beiden zijn schadelijk, maar een combinatie van beiden is dubbelop en al helemaal af te raden. Mocht de Nederlandse overheid alsnog één van beiden willen kiezen, dan zou het in dat geval het beste zijn om niet voor een groepsuitzondering te kiezen maar de hoge drempel van 30% te behouden. Daarmee wordt weliswaar niet winstverschuiving tegengegaan, maar vreemd vermogen wel beperkt.